De la villa au burgus (VIIe-XIe siècles)

Questions à partir des recherches archéologiques sur Nivelles et son abbaye

Auteurs

  • Frédéric Chantinne

DOI:

https://doi.org/10.71265/nhpk4w82

Samenvatting

Van villa tot burgus: nieuwe onderzoeksvragen vanuit de archeologie met betrekking tot de relatie tussen Nijvel en zijn abdij

In dit artikel wordt nagegaan in hoeverre het archeologisch onderzoek dat in Nijvel gedaan werd naar de periode voor 1100 nieuwe vragen oproept met betrekking tot de relatie tussen abdij en de lekennederzetting van Nijvel en meer in het algemeen de vroege stadsvorming. Dit is essentieel voor het begrijpen van de werking van de maatschappij en in het bijzonder voor de omwentelingen ten tijde van de Gregoriaanse hervorming die sommige historici Mutation de l’an 1100 en de mediëvisten en archeologen de overgang van de Vroege naar de Late Middeleeuwen noemen.

Eerst worden de opgravingen beschreven die in Nijvel begonnen na het verwoestende bombardement van mei 1940. Rond 1950 en 1960 werd er opnieuw gegraven evenals in de jaren 2009-2011. Helaas was steeds slechts een beperkt onderzoek mogelijk, ook bij het jongste toen men niet veel meer kon doen dan optekenen wat er aan sporen opgeruimd werd. De restauratie van de Gertrudiskerk was een extra informatiebron. Vastgesteld werd dat het huidige gebouw voor een belangrijk deel overeenkomt met de in de vroege elfde eeuw afgebrande kerk en dus dateert van voor de kerkwijding van 1046. Historische studies over Nijvel zijn alweer vele decennia oud: ze dateren uit 1931 (Delanne) en 1951 (Hoebanx). De abdij werd rond 650 gesticht in een al bestaande villa van Pepijn van Landen, met zijn dochter Gertrudis als eerste abdis. Al vlug waren er drie kerken, ieder met een eigen rol. De Mariakerk, die mogelijk al bestond ten tijde van Pepijn, was de abdijkerk. De Petruskerk was in oorsprong een oud burgerlijk gebouw dat in de late zevende eeuw omgevormd werd tot een kerk waarin zich het graf van Gertrudis bevond, waaromheen een hele cultus groeide. De Pauluskerk is vooral bekend omdat het bed van Gertrudis er bewaard werd. Dit was de kerk van de mannelijke kloostergemeenschap. Dit gebouwencomplex was het centrum van de villa van Nijvel die als vorstelijk omschreven kan worden. Van hier liepen wegen naar andere vroegmiddeleeuwse abdijen. Nijvel wordt voor het eerst als vicus (gehucht) aangeduid op een zilveren penning uit 864. In 1041 bevestigde koning Hendrik III dat burgus vel villa Nivialensis met al wat erbij hoorde aan de Gertrudisabdij toebehoorde en in 1059 worden er milites vermeld die gronden of heerlijkheden van de abdij houden en tot betalingen aan de abdij verplicht zijn. Chantinne vergelijkt ze met milites castri in verband met het beheren van kasselarijen. In 2006 werd in de Rue de Mons een vijf meter brede gracht opgegraven die tot in de twaalfde eeuw in gebruik was: dat kan de eerste omgrachting van de abdij en/of de nederzetting geweest zijn.

Nijvel was een koninklijke abdij en eigendom van de Karolingische familie. Alle bekende abdissen die tussen de negende en het begin van de elfde eeuw aan het hoofd stonden van de abdij behoorden tot deze familie. Onder hen waren zelfs koninginnen en keizerinnen. Hun woonplaats was meer dan een domus abbatissae, het was eerder een ‘paleis’ in de Karolingische betekenis van dat woord. Het pre-gregoriaanse principe was dat de Kerk een onderdeel van de staatsstructuren vormde, een openbare dienst. Vanuit dit oogpunt was de abdij niet alleen het religieuze centrum maar ook het centrum van de openbare macht op een koninklijk landgoed waar economische, juridische, politieke en militaire functies werden uitgeoefend. Dat trok mensen aan. Volgens Chantinne was er al in 978 een markt, misschien zelfs al sinds de zevende eeuw. Vlak bij de kerk werden tegelovens opgegraven die tot in het tweede kwart van de tiende eeuw actief waren. Ten zuiden van de kerk werd schoenmakersafval gevonden onder begravingen die uit de vroege dertiende eeuw dateren. In 877 had Nijvel naast een hospitaal ook een gasthuis voor vreemdelingen. De Mariakerk was oorspronkelijk de parochiekerk voor de hele gemeenschap, maar werd daarvoor al snel te klein. De veel grotere Petrus en Gertrudiskerk nam deze rol over. In 1231 werd de parochie Nijvel in elf parochies verdeeld waarvan de kerken toen al bestaan moeten hebben.

Het is duidelijk dat de abdij van Nijvel geen geïsoleerd en autarkisch klooster in een afgelegen woestenij was. Het ging om een beheerscentrum van koninklijk bezit, een centrum van Koninklijke macht. Chantinne vraagt zich af of Nijvel al voor de Mutation de l’an 1100 onderdeel uitmaakte van een netwerk van vroege steden, vergelijkbaar met de bisschop- pelijke stad en het netwerk van steden aan het einde van de Oudheid.

(Samenvatting Karel A.H.W. Leenders)

Downloads

Download data is not yet available.

Biografie auteur

  • Frédéric Chantinne

    FRÉDÉRIC CHANTINNE Licencié en Histoire (2003) et en Histoire de l'Art et Archéologie (2006), Frédéric Chantinne s'intéresse aux relations entre Histoire et Archéologie médiévales. Suivant cette démarche interdisciplinaire, il a consacré son mémoire en Histoire au château de Montaigle. Engagé par le Centre de Recherches archéologiques de l'ULB depuis 2004, il dirige les fouilles, déléguées par la Direction de l'Archéologie du Ministère de la Région wallonne, au château de Chimay. Dans cette même optique, il s'intéresse à l'histoire rurale en contribuant aux activités menées par le Service de Jeunesse Archeolo-) où il collabore en particulier aux recherches archéologiques menées sur l'entité de Haillot, en province de Namur. Chantinne est maintenant archéologue à la Direction de l'Archéologie du Service public de Wallonie.

Downloads

Gepubliceerd

2015-01-01

Nummer

Sectie

Artikel

Citeerhulp

Chantinne, F. (2015). De la villa au burgus (VIIe-XIe siècles): Questions à partir des recherches archéologiques sur Nivelles et son abbaye. Noordbrabants Historisch Jaarboek, 32, 36-55. https://doi.org/10.71265/nhpk4w82